Arie den Hond
Soerabaja, 1929
“Voor mij is het een tijd die is geweest. Ik hoef daar verder geen grote herinneringen aan te hebben. Niet emotioneel. Het is allemaal geweest, we hebben dat gehad en daar hou ik het maar bij. Het heeft geen nut om daar uitgebreid over te praten, andere mensen zijn er meestal niet in geïnteresseerd “

Arie Johan Den Hond werd geboren op 5 september 1929 in Soerabaja. Zijn vader werkte bij de BPM (Bataafse Petroleummaatschappij) en zijn moeder had een gemengde achtergrond.
Hij groeide op in Soerabaja en later in Makassar, waar zijn vader werd overgeplaatst. Tijdens de Japanse bezetting werd het gezin geëvacueerd naar Malino en later geïnterneerd in kamp Kampili bij Makassar, waar hij werkte in het abattoir. Na de oorlog repatrieerde hij in 1946 naar Nederland, waar hij in Bussum en later Naarden verbleef. Hij ging terug naar Indonesië om bij de KPM te werken als leerling werktuigkundige, maar keerde uiteindelijk weer terug in Nederland.
Zijn verhaal getuigt van veerkracht en een pragmatische omgang met het verleden.
“De manier waarop de Indische Nederlander of de gerepatrieerden hier in Nederland zijn ontvangen en altijd zijn behandeld; dat slaat natuurlijk nergens op. De regering heeft zich nooit druk gemaakt, over de manier waarop de Indische Nederlander behandeld werd, die hebben dat ook altijd maar weggestopt.”
In de vakanties gingen zij naar Malang, naar tante Jans en oom Jan. Zij woonden in een groot vrijstaand huis met veel grond eromheen. Aan de achterkant liep het terrein af naar een kali, waar kinderen vrijuit konden spelen. Er werd gasti en gatrik gespeeld en natuurlijk gevoetbald. Ook zwommen zij vaak in de kali. In die tijd had het gezin personeel, zoals gebruikelijk was. Er was een jongos, een baboe en een kokkie. De kokkie verzorgde het eten en had altijd iets lekkers achter de hand voor de kinderen. De baboe paste op en zorgde voor het huishouden. Dat bleef zo, zowel in Surabaya als later in Makassar, tot het gezin door de omstandigheden van de Japanse oorlog uit huis werd gezet.
In 1939 verhuisde de familie naar Makassar, waar de vader werkte bij de BPM. Na de oorlog keerden zij terug, maar het huis stond er niet meer. Het was getroffen door een bom en volledig verwoest. Het ouderlijk huis hebben zij daarna nooit meer teruggezien zoals het ooit was. In 1942, na de Japanse invasie, werd het gezin uit Makassar geëvacueerd naar de bergen. Zij werden ondergebracht in een kindervakantiekolonie, een groot huis waar normaal gesproken één keer per jaar kinderen van minder bedeelde gezinnen verbleven. Daar bleven zij ongeveer anderhalf jaar.
Later werden zij door de Japanners geïnterneerd in kamp Kampili, een door de bezetters gebouwd kamp van bamboe. Daar verbleven alle geëvacueerden uit Makassar, in totaal ongeveer 1600 mensen: vrouwen, kinderen en jongens tot zestien jaar. Hij werkte er in het abattoir, onder leiding van pater Beltjes.
Vlak achter ons kamp lag een groot Japans vliegveld. Maar bij vergissing werd het kamp door de Amerikanen gebombardeerd met brandbommen. Ze hebben daar honderden brandbommen neergegooid. Wonder boven wonder is er maar één iemand getroffen door die brandbommen. Een dag of drie, vier later kwamen de Amerikanen terug en nog een keer een bombardement uitgevoerd. We zaten toen allemaal al in de schuilkelders
Later werden zij door de Japanners geïnterneerd in kamp Kampili, een door de bezetters gebouwd kamp van bamboe. Daar verbleven alle geëvacueerden uit Makassar, in totaal ongeveer 1600 mensen: vrouwen, kinderen en jongens tot zestien jaar. Hij werkte er in het abattoir, onder leiding van pater Beltjes.





