Maud Kudding
Batavia, 1939
“Ik moest dan altijd in de kast zitten van mijn broers, want je weet nooit wie er binnenkomt. Ik werd dan gewoon in een kast opgeborgen, en soms in een la. Dat was een verschrikking. Ik stap steeds niet in een lift. Bang voor kleine ruimtes, de angst, de stank, het opgesloten zijn.”

Maud Kudding werd in 1939 geboren in Batavia, in het Chikini ziekenhuis. Zij was het jongste kind en het enige meisje in een gezin van vijf kinderen, met vier broers, waaronder een tweeling.
Haar vader diende als militair bij het KNIL en haar moeder was afkomstig uit de Balinese adel. Vanuit haar vaders kant was er eveneens een band met vorstelijke afkomst, als nakomeling van de sultan van Djokja. Tijdens de Japanse bezetting werd haar vader afgevoerd om te werken aan de Birma-spoorlijn.
Haar moeder werd meegenomen als troostvrouw. Maud en haar broers bleven alleen achter en moesten zelf zien te overleven. De broers zorgden voor haar, maar de periode liet diepe trauma’s achter.
Pas later in haar leven vond zij erkenning en ondersteuning via Stichting 40-45 en de Sinaï kliniek. Haar verhaal maakt zichtbaar hoe oorlogservaringen uit Nederlands-Indië levenslang kunnen doorwerken, en hoe belangrijk erkenning en zorg zijn.
“Op een gegeven moment hadden we het over de ellende van de oorlog hier in Nederland. Vreselijk wat daar allemaal is gebeurd is. Ik zei, dat soort dingen heb ik ook meegemaakt. Toen keken ze verbaasd naar mij, en zei mijn schoonvader, dat heb je zeker gedroomd, hè, en dat deed pijn, echt pijn”
Als jongste en enige meisje in het gezin werd zij omringd door haar vier broers. Zij vormden een hechte eenheid en voelden zich gezamenlijk verantwoordelijk voor elkaar. Tijdens de oorlog werd haar vader meegenomen en tewerkgesteld bij de Birma-spoorlijn. Haar moeder werd door de Japanse militairen meegenomen als troostvrouw. Maud zag hoe zij uit huis werd gehaald. De baboe bleef nog een jaar bij de kinderen en hielp hen waar mogelijk.
Wanneer haar broers naar buiten gingen om eten te zoeken, kon Maud niet mee. Zij was te klein en de tochten waren gevaarlijk. Om haar te beschermen verstopten haar broers haar in een kast of soms in een lade, uit angst voor wat er kon gebeuren als soldaten binnen zouden komen. De ervaring van opgesloten zitten — de donkere ruimte, de angst, de stank — bleef haar leven lang bij. Tot op latere leeftijd vermeed zij liften en kleine ruimtes.
Na de oorlog trouwde Maud met een man uit een Nederlandse, deels Joodse familie. Toen het gesprek ging over oorlogservaringen in Nederland, vertelde zij dat zij vergelijkbare dingen had meegemaakt in Indonesië. Haar verhaal werd niet geloofd. Haar schoonvader zei dat zij het “vast gedroomd had”. Die ontkenning deed diep pijn. De emotionele gevolgen waren zwaar. Ze huilde in stilte, schreeuwde onder de douche om niemand te belasten, en voelde zich onbegrepen. Pas haar huisarts nam haar werkelijk serieus. Hij benoemde dat zij een trauma had en niet “overdreef”, en zorgde ervoor dat zij hulp kreeg via Stichting 40-45 en de Sinaï kliniek. De erkenning die daar volgde, betekende voor haar een keerpunt: iemand zag, hoorde en bevestigde haar werkelijkheid.
Haar vader gaf haar vlak voor zijn arrestatie een ketting van stuivers, geregen aan een touw. Voor haar was het een kostbaar bezit: met één muntje kon ze bij de Chinees een lolly kopen. Het symboliseerde veiligheid en geborgenheid.





