Conny Tielman
Batavia, 1941
“Er zijn heel veel soorten Indisch zwijgen. Er zijn Indisch zwijgen over wat er gebeurd is. Indisch zwijgen over leed wat je is aangedaan. Indisch zwijgen over waar je bang voor bent.”

Conny Tielman werd op 25 november 1941 geboren in Batavia. Haar vader, die tijdens de oorlog als krijgsgevangene naar Japan werd vervoerd, kwam om het leven toen het schip Junyo Maru werd getorpedeerd. Conny heeft hem nooit gekend. Haar moeder, een blonde Nederlandse vrouw, moest tijdens de oorlog onderduiken. Als buitenkamper kwam zij niet terecht in een officieel kamp, maar moest wel onder de radar blijven. In het grote witte huis in Beganserang-Oost bood zij, samen met familie, onderdak aan meerdere mensen.
Het leven in dat huis vormt een belangrijk deel van Conny’s jeugdherinneringen. Het huis had een grote tuin met een kersenboom voor het erf. Haar moeder hield van dieren; er waren kippen, een kaketoe, een aap en honden die ze zelf fokte. De tuin was een levendige plek vol beweging en geluid.
” Mijn moeder was blond, blauwe ogen. Dus zij moest zich wel gedeisd houden. Ergens onderduiken en zo. Omdat ze blank is. Ze moest toch overleven. Maar ze heeft niet in een jappenkamp gezeten. Ze heeft echt moeten vluchten en onderduiken. Maar ze heeft ons er na de oorlog niet erg veel over verteld.”
Conny’s broers maakten vliegers van bamboe en papier en bestreken hun vliegerlijnen met fijngestampt glas, waarmee zij tijdens het vliegeren elkaars draden probeerden door te snijden. Het was een speelse competitie die zij zich nog levendig herinnert.
Het gezin werd ondersteund door een baboe cuci, die het huishouden deed, kookte en op de kinderen paste. Zij woonde op het erf, in een klein kamertje, en maakte deel uit van het dagelijkse ritme van het gezin.
Tijdens de Bersiap was Conny ongeveer negen jaar oud. Ze was zich ervan bewust dat er gevaar was, maar in haar directe omgeving kon zij nog buiten spelen. Aan de overkant van de straat lag een kampong, maar zij herinnert zich geen directe bedreiging. Tegelijkertijd wist zij dat elders in Jakarta grote, gespannen bijeenkomsten plaatsvonden, waar pleinen volstroomden met mensen. Daar bleef zij, als kind, ver bij vandaan.
Na de oorlog verhuisde het gezin naar de Teloppetongweg. In 1950 vertrok Conny samen met haar moeder en broers naar Nederland. Zij vestigden zich in Den Haag, waar de zoektocht naar een nieuw bestaan begon.
Ondanks de afwezigheid van haar vader, het onderduiken en de onrust van de Bersiap, bewaart Conny warme en levendige herinneringen aan haar jeugd in Indonesië: de dieren, het huis, het buiten spelen, en de verbondenheid binnen het gezin.
Als je zei: Wij hadden honger, vijf hapjes rijst, gekookte en een beetje water met kankoen erin, dan werd er gezegd, ja, maar wij hadden de hongerwinter en jullie hadden zon en wij zaten hier in de kou. Dan zeg je, oké. Laat maar, ik vertel niet meer.





