Kea den Hond-van der Made
Bandoeng, 1934
“Ik heb eigenlijk altijd terugverlangd naar Indonesië. De eerste maanden zeer zeker, toen ik in 1951 op het internaat zat. Ik heb echt maanden gejankt, ’s avonds, voordat ik ging slapen. Op een gegeven moment zei ik ook wel, ja, je kan wel blijven janken. Maar het helpt niet. Probeer nou maar te wennen aan dat land.“

Kea den Hond-van der Made werd geboren tijdens de paastijd in Bandoeng. Ze groeide op op een theeplantage in Arinum, tussen Garut en Pamunpuk, waar haar vader administrateur was en haar moeder als apotheekassistent een kleine polikliniek opzette voor de lokale gemeenschap. Het gezin leefde in een zelfgebouwd huis met een grote tuin en dagelijks contact met plantagearbeiders en huispersoneel.
Tijdens de Tweede Wereldoorlog veranderde hun leven ingrijpend. Haar vader werd opgepakt en tewerkgesteld aan de Birma-spoorlijn en later in tinmijnen in Japan. Kea, haar moeder en haar broer en zus werden geïnterneerd en verbleven achtereenvolgens in Karees, Kedoengbadak en Kampong Makasar. Na de oorlog keerde het gezin kort terug naar Indonesië, maar vertrok uiteindelijk naar Nederland om een nieuw bestaan op te bouwen
Gelukkig is Pelita er. En ja, dan voelen we toch echt wel weer enigszins thuis. Met de verhalen, met de mensen die je daar ontmoet. De warmte. Nederland, ja, weet je. Je kan twee dingen doen. Of je kan zeggen, ik blijf maar hangen aan het verleden. Of je moet zeggen op een gegeven moment, kom op. Maar het heeft ons wel tijden gekost om te wennen. Er is niks mis met Holland, hoor. Helemaal niet. Maar wij zijn anders
Vanaf haar zesde jaar kreeg Kea les van haar moeder. Tijdens de lessen sprak zij haar moeder niet aan als moeder, maar als juf. ’s Morgens zei ze buiten het huis: “Dag mam, ik ga naar school,” en een paar minuten later, als ze het lokaal binnenstapte, zei ze: “Dag juf, u krijgt de groeten van mijn moeder.”
Eens per jaar vond er op de grote aloen-aloen een feest plaats. Haar vader zette dan een hoge paal neer, ingesmeerd met groene zeep, met bovenaan een kruis met cadeautjes eraan. De mannen die op de plantage werkten, mochten proberen naar boven te klimmen om een cadeau te pakken. Het was een dag vol spel, eten en samen zijn.
Tijdens de oorlog werd haar vader opgepakt en geïnterneerd. Hij had de Indonesiërs leren schieten. Haar moeder leerde Indische vrouwen verbanden leggen en hoe zij wonden moesten verzorgen. Mogelijk droeg dit bij aan de arrestatie van haar vader. Hij werkte tijdens de oorlog aan de Birma-spoorlijn en later in tinmijnen in Japan.
Na de oorlog keerde het gezin korte tijd terug naar Indonesië. Uiteindelijk vertrokken ze definitief naar Nederland.
Het gezin verbleef in verschillende kampen: Karees, Kedoengbadak en Kampong Makasar. In kamp Karees woonde het gezin samen met zo’n dertig anderen in één huis. Kea vertelt dat zij “boften”, omdat zij met z’n vieren de garage kregen. In de garage was een plafond aangebracht; bovenop sliepen zij op matrassen, beneden stond een tafel met een paar stoelen.
Ze herinnert zich hoe zij samen met een jongen door het kamp liep. Ze zagen een papaya hangen en besloten die ’s avonds te plukken. Ze werden betrapt. Kinderen werden in het kamp niet gestraft, maar de ouders wel. Toen de Jap vroeg van wie de kinderen waren, zei haar moeder: “Van mij.” Als straf werd zij, samen met anderen, opgesloten in een hok.





