John ter Veer
Solok, 1936
“Toen we naar Nederland kwamen, moesten we onszelf opnieuw uitvinden. Een ander klimaat, een andere taal, andere gewoontes. Maar wat we hadden meegemaakt, namen we mee in stilte. Je begint opnieuw, maar je laat niets echt achter.”

John ter Veer werd in 1936 geboren in Solok (Java). Hij groeide op in een warm gezin met zes kinderen. Zijn vader was militair, waardoor het gezin regelmatig verhuisde, onder andere naar Bandoeng en Tjimahi. Het dagelijks leven bestond uit spelen met broers en zussen, school bij de nonnen en een huis met baboe en tuinman.
De Japanse bezetting veranderde zijn jeugd ingrijpend. Het gezin werd geïnterneerd in meerdere kampen, waaronder Chideng. De omstandigheden waren zwaar; er was weinig voedsel en ziekten en uitputting waren constant aanwezig. Zijn moeder zorgde onder moeilijke omstandigheden voor de kinderen.
Na de bevrijding volgde de onrustige periode van de Bersiap. Uiteindelijk werd het gezin gerepatrieerd naar Nederland. John ter Veer kwam terecht in verschillende contractpensions, ging weer naar school en trad later in militaire dienst, waar hij een lange loopbaan opbouwde. Hij vestigde zich definitief in Nederland en bouwde hier zijn verdere leven op.
“Mijn moeder hield ons bij elkaar. Zij was onze houvast, onze richting. Ondanks angst, honger en onzekerheid wist ze ons steeds weer een stukje veiligheid te geven. Ik denk dat wij er dankzij haar nog steeds staan.”
De vroege herinneringen aan Indonesië zijn sterk verbonden met natuur, buiten zijn en familie. John ter Veer vertelt over het vangen van visjes, fruit rapen en fietsen met zijn broers. Het was een jeugd met ruimte en avontuur, tot de oorlog die wereld abrupt onderbrak.
In het kamp werd het dagelijks leven een strijd om voeding en gezondheid. Hij herinnert zich lange rijen voor de gaarkeuken, het eten van bladeren en larven om aan kracht te komen, en de zorg van zijn moeder die, ondanks alles, de kinderen samenhield. Fysieke straf, honger en angst maakten diepe indruk.
Na de oorlog volgde geen directe rust. Tijdens de Bersiap werd hij opnieuw geconfronteerd met geweld en onzekerheid. De komst naar Nederland betekende opnieuw beginnen: een nieuw klimaat, een nieuwe taal, nieuwe omgangsvormen. Toch vond hij zijn weg, werkte, speelde muziek en bouwde relaties. Zijn verhaal toont veerkracht en het vermogen om zich steeds opnieuw te wortelen.
“In het kamp leerde je niet te dromen over later. Je dacht alleen aan de volgende dag, aan wat je misschien kon eten of delen. Kind-zijn verdween daar langzaam; je werd wakker in een wereld waarin overleven het enige was dat telde.”





