In een openhartig gesprek met Rob Lampe (Amersfoort Gezien) vertellen meneer en mevrouw De Hond over hun jeugd in Nederlands-Indië, de oorlog en het leven in het interneringskamp. Ze zijn inmiddels 91 en 96 jaar, maar de herinneringen zijn scherp en levend.
Meneer De Hond werd geboren in Surabaya, op Oost-Java. Zijn familie woonde er al generaties. “Mijn grootouders kwamen rond 1895 naar Nederlands-Indië. Mijn vader werkte bij het marine-etablissement en later als manager op een rubberonderneming. Wij woonden midden in de plantage. Geen bezit hoor, gewoon werk.”
Als de oorlog uitbreekt in 1942 verandert alles. De familie moet vluchten en wordt uiteindelijk geïnterneerd. “Mijn vader was al afgevoerd. Mijn moeder bleef met ons drieën achter. Ze heeft overvallen meegemaakt, pistolen op haar hoofd. Er was niks meer. Wat we hadden, gaf ze aan de arbeiders. Toen zei de commissaris van politie: ‘Het wordt te gevaarlijk. Je moet naar het kamp.’”
Ze belanden in een kamp buiten Makassar, met ongeveer 1600 mensen. Volgens meneer De Hond was het kamp verrassend goed georganiseerd. “Er was een centrale keuken en iedereen werkte mee. Je had een ploeg voor de rijstvelden, een afwasploeg, een slagersploeg. Het kamp was bijna zelfvoorzienend. Iedereen had zijn taak.”
“Ze wist hoe ze hem moest aanpakken,” zegt hij. “En daardoor konden wij weer verder.”
In dat dagelijks ritme speelde zijn moeder een cruciale rol. Zij leidde de keuken en wist bovendien de kampcommandant, een Japanse officier met wisselende stemmingen, te kalmeren. “Hij stond niet bekend als een prettig figuur,” zegt meneer De Hond. “Vooral met volle maan moest je oppassen. Dan kon hij ‘uit zijn dak gaan’.” Maar zijn moeder keek niet weg. Ze stapte eropaf. “Mijn moeder was klein van stuk, maar geestelijk sterker dan hij,” vertelt hij glimlachend. “Als hij dreigde te ontsporen, werd zij geroepen. Ze wist hem tot rust te brengen. Hoe precies? Ze had een soort wijsheid… en een beetje humor.” Een keer liep de spanning hoog op. De commandant wilde een pastoor straffen. Zijn moeder greep in — met opmerkelijke eenvoud en lef.
In een ander moment wist zij zelfs een dreigende onthoofding van een medegevangene te voorkomen.
“Ze nam een kip mee en zei: ‘Hier, sla dan deze kop eraf. Dan ben je toch van dat gevoel af.’
Hij moest lachen. En het was klaar.”
Tijdens het gesprek komen persoonlijke voorwerpen op tafel: een klein koffertje met tekeningen en handtekeningen van medegevangenen, en een tafellaken waarop de verschillende werkploegen zijn afgebeeld. “Dit is in het kamp gemaakt,” zegt hij terwijl hij het doek voorzichtig vasthoudt. “Iedere hoek vertelt een taak, een plek, een herinnering.”
Vrijheid in het hoofd
Het verhaal van meneer en mevrouw De Hond is geen heroïsch oorlogsverhaal. Het is een verhaal over overleven, organisatie, humor, zorg en menselijkheid in omstandigheden waar die bijna onmogelijk leken. Een herinnering aan hoe vrijheid — zelfs in een kamp — soms begon bij één klein gebaar. Eén stem die durfde te spreken.
Dit gesprek maakt deel uit van het project Vrijheid in het Hoofd, waarin persoonlijke verhalen uit Nederlands-Indië worden verzameld, bewaard en verteld — voor iedereen die wil begrijpen wat vrijheid betekent als die onder druk staat.





Geef een reactie